home | agenda | cd's | pers | clips | contact | links | de jongen die niet op stee wou
Harry Niehof in Middelstum,
zijn geboortedorp.
FOTO CORNÉ SPARIDAENS
Uit het Dagblad van het Noorden d.d. 2016-02-26
-
Verhalen van drijfklei
-
Zanger/songschrijver Harry Niehof heeft een kroeg. Alleen op het podium dan. Café op Driefklaai heet zijn nieuwe productie; een cd, boekje en theatervoorstelling in één. Gesprek over het café van zijn vader, het Middelstum van vroeger, en een Groningen dat op drijfklei zweeft.
-
Door Inki de Jonge.
-

Paspoort
-
Naam: Harry Menno Niehof.
Geboren:14 juni1954, Middelstum.
Studeerde van 1972 tot 1980 Engels aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Werkt als docent Engels aan de Hogeschool Stenden in Leeuwarden.
Cd's: Broken Lies, Cuba Blues, Altied Onderwegens, Straks is 't weer janken, Golf noa Golf, Twijduustern, Café op Driefklaai.
Harry Niehof woont in de stad Groningen en is getrouwd met Lucie Besselink.

terug naar pers-overzicht
Die veel te grote Groningse bescheidenheid is een van de pijlers van zijn nieuwe voorstelling Café op Driefklaai, die volgende week zaterdag in Delfzijl in première gaat. Het is zijn meest ambitieuze project tot dusver: een voorstelling, een cd en een boekje; alles onder dezelfde titel: Café op Driefklaai. De voorstelling speelt zich af in een denkbeeldige kroeg, gemodelleerd naar Café E.H. Niehof, dat zijn vader hier in Middelstum dreef.
Nou staan de werktijden van bakkers en kroegbazen tamelijk haaks op elkaar. "Hij begon om half vijf ‘s morgens in de bakkerij en werkte tot ’s avonds tien uur, half elf in het café. Dat hield hij niet vol natuurlijk. Dus daar is hij mee opgehouden toen ik zes werd, ik weet er ook niet meer zoveel van. Maar het idee liet me niet los, toen ik over een nieuwe cd en show nadacht. Een café is een ontmoetingsplaats, in zo’n decor kun je echte mensen en fictieve personages aaneenweven. Dus ik dacht: ik maak een voorstelling waarin ik het café van mijn vader heb overgenomen."
Dat dat café Driefklaai heet, heeft ook een reden: Driefklaai is Gronings voor drijfklei, een woord dat in geen enkel woordenboek staat maar dat wel zou moeten, omdat het zo mooi het veiligheidsgevoel van veel Groningers omschrijft. Het programma gaat dan ook niet alleen over vroeger, maar ook over het veelbewogen Groningen van tegenwoordig, waarvoor hij anderhalf jaar lang gesprekken voerde met bewoners in de aardbevingsstreken. Die verhalen verwerkte hij soms in zijn liedjes, dan weer in het boekje. "Mijn grootste probleem was: schrappen." Een van de verhalen draait om het kopje van Vrauw Smit, waarin de jenever rimpelt als de grond beeft.

Aibels troag kroepen uren veurbie
Kroepen doagen en joaren en moanden veurbie
En wat zigt ze as ze doar zo zit?
Rinpeling ien’t kovviekopke van vraauw Smit
(Rimpeling)

Mevrouw Smit is verzonnen. Ook andere personages, zoals de verlegen Haarm-jan en Hinnerk met zijn veel te grote bek, zijn fictief. Muzikale verhalen waarin fictie en politieke werkelijkheid ineengevlochten worden; de vergelijking met Ry Cooder’s cd Chávez Ravine dringt zich op. Cooder maakte in 2005 een cd over de gelijknamige Mexicaanse wijk in Los Angeles die werd gesloopt voor een nieuw honkbalstadion. "Ik was altijd al een fan van Chávez Ravine, dat idee om een onderwerp van verschillende kanten te belichten sprak me zeer aan. Ook daar moesten gewone mensen wijken voor het grote geld. Mensen in Slochteren zeiden tegen me: 'Wie hemmen niks doan. Moar ons hoes is wel stukkend’."

Zijn eigen hoes is ook stukkend. Wie nu in Middelstum naar café E.H. Niehof zoekt, zal het niet meer vinden. Het is niet kapotgebeefd, maar moest decennia geleden plaatsmaken voor de moderne tijd, waarna de bakkerij verhuisde naar de Heerestraat. Niets resteert nog van het grote bakkerspand annex winkel annex café met zijn bovenzaal voor samenkomsten voor de ‘fienen’, het gereformeerde deel van het dorp.

Dat Middelstum een godsvruchtig dorp was, kun je nu nog heel goed zien in het groene dorpshart waar sneeuwklokjes bloeien, dat wordt begrensd door twee forse kerken: een voor de hervormden en een voor de gereformeerden. Hij hoorde tot de laatste
groep kerkgangers, ze waren bij hem thuis ‘zo fien als motregen’.
Zijn jeugd was geordend langs rechte lijnen die door de bijbel waren uitgezet. Zijn tantje Anje en tante Geertje, ze woonden verderop, schuin tegenover de kerk, zetten de televisie uit als het weer werd voorspeld. Naar dat soort hovaardij wilden ze niet luisteren; alleen de Heere God bepaalde hoe het weer er morgen uit zou zien. "De openbare gymnastiekvereniging DOS werd door ons ‘Duvels Op Sokken’ genoemd. En er was een rooms-katholieke boer in het dorp, zijn hele boerderij brandde af na een hooibroei. Toen werd er in het dorp gezegd: ‘Dat hej’ dervan als je beelden aanbidden."
Vreugdevol waren zijn jonge jaren niet. Uit de band springen was uit den boze en de gemeenschap had zijn ogen en oren overal. "Eens per jaar was er kermis in het dorp. Niet groot, een schiettent, een zweefmolen, een poffertjeskraam. Daar mocht ik niet heen, dat was werelds vermaak, maar ik ging er wel staan kijken. Dan kwam er al snel een klant bij mijn vader in de winkel zeggen: ‘Wie hemmen dat jonkje van joe ook op kermis zain.’ Dus er was geen ontsnappen aan."
Maar dat wilde hij wel.
Soms, op zaterdag, als iedereen werkte, pakte hij de fiets en reed Middelstum uit, langs het Boterdiep, de brug over, langs de kaarsrechte wegen naar Onderdendam, langs Bedum, via Noorderhoogebrug de stad in. Zomaar. Naar Groningen. "En wat ik daar deed, weet ik niet meer. Niks, eigenlijk. Ik zette mijn fiets tegen een boom en keek naar de mensen en de auto’s. Ik wilde gewoon de stad opsnuiven. Het léven."
Het zou later een schatkist vol verhalen blijken te zijn, die jeugd van hem, maar dat wist hij toen nog niet. Hij zou later zingen over die geordende wereld:

‘toen was ’t op regel, t hoes aan kaant
zo was dat aai ien golden raand
heur lust en heur leven, dat was ’t veur allebaai
ze waren op stee op ’t hogelaand’
(Op Stee)

Maar dat jonkje van de bakker wilde die stee wel uit. Groot was zijn opwinding toen hij op zijn vijftiende naar Steenwijk verhuisde met het hele gezin. ,,Steenwijk! Met die cafés en die winkels en al die mensen die niet op je letten. Steenwijk, dat was toch een soort New York.’’ Zo gleed hij het dorp van zijn jeugd uit en keek nooit om. Hij studeerde Engels, omdat hij fan was van Bob Dylan. Maakte muziek in het Engels, omdat dat, dacht hij, de enige taal was die zich daarvoor leende. Het Gronings, dat was die taal van de rechtlijnige, strenge jeugd. Daar zat geen muziek in. Dacht hij. Tot hij elf jaar geleden zijn eerste Groningse hit schreef: Pure Laifde. "Ik had in 2004 Groningse teksten gemaakt op Cubaanse melodieën, met de band Los Bomberos, maar dat was toch meer een gimmick. Pure Laifde, die hele eerste Groninger cd Altied Onderwegens, was mijn eerste serieuze poging. Ik dacht: als ik een serieus lied en een liefdesliedje kan schrijven in het Gronings, dan is het wat voor mij."
Het was wat, zo bleek. Café op Driefklaai is zijn zesde cd in het Gronings. Bijgestaan door de Poediemagneten Herman Grimme, Johan Viswat en Marcel Olthof, met gastrollen voor gitarist Rudy Lentze en de Belgische dudukspeler Vahé Hovanesian. Hij is blij met die samenwerking, blij ook met regisseur Theo de Groot, die de lijnen uitzet voor zijn theatershow. Dat De Groot een Groninger is, scheelt óók. "Het gaat op zijn Gronings. Ik doe wat, en dan zegt hij: Dit werkt, en dat niet. Zo van: aaaaah, naait soez’n."
Want het mag dan wel een theatervoorstelling zijn; acteren komt er niet aan te pas. "Ik ben muzikant. Geen acteur. Het moet dat losse hebben van het terloops vertelde."
Niehof. Muzikant. Groninger. Middelstummer, toch. "Ik heb wel eens gedacht dat ze me met pek en veren het dorp uit zouden dragen als ik hier zou optreden. Want mijn liedjes schilderen ook een eerlijk, niet altijd flatteus beeld van Groningen. Maar ze zijn hier trots op me. Geloof ik."
Trots? Toch? Is het daarom? Dat hij ineens toch dat tuinpad op durft naar het oude bakkerspand aan de Heerestraat? Het duurt even. Dan gaat de deur open. Een man met een stroef gezicht zegt: "Joa?" Niehof schakelt onmiddellijk over op de taal van zijn jeugd. Legt uit dat hij hier vroeger heeft gewoond. Of hij even die bakkersoven mag zien. De man blijft even houdingloos staan. Dan zegt hij: "Joa." Het is de oude postbode Kornelis Jonkman, ook wel Kees genoemd. Hij woont met zijn broer in dit huis. Zijn broer zit voor de tv, die kon dus niet opendoen. Maar de gasten mogen wel even binnenkomen. Joa.
Binnen is het alsof er iemand een gordijn naar de geschiedenis opentrekt. Daar ligt de jeugd van Harry Niehof, schijnbaar onaangetast. "Het is nog precies hetzelfde!" roept hij als hij de drempel over stapt, de hal in. Zelfs de telefoon met draaischijf hangt nog op dezelfde plek. "Wij hadden nummer 74. De doodskistenfabriek had telefoonnummer 1."
In de oude bakkerij staat de oven inmiddels industrieel erfgoed te wezen. Jonkman vraagt of de gasten de winkel dan ook nog willen zien, en op het moment dat Niehof de ruimte betreedt, valt zijn mond open. De toonbank. Het kastje daarachter. Het schuingestreepte marmoleum. Je stapt hier de ongeschonden jaren zestig in. Jonkman wordt nu spraakzaam. Hij legt uit dat zijn broer hier een winkel had. In rokerij. Maar dat hij, Kees, dat niet zag zitten, die ongezonde troep. Dat hij toen zijn broer net zo lang om de kop had gezeurd tot die de winkel sloot. Niehof schatert. Hij kan die oude dorpsverhalen plaatsen als geen ander. Hij is en blijft een zoon van deze plek, en vreugdeloos is zijn jeugd, in retrospectief, allang niet meer.
Dan gaan de gasten weg. Bij het afscheid drukt Kornelis Jonkman zijn gast Harry Niehof lang de hand. "Dat zingen’’, zegt hij "Doar moj’ mit deurgoan." "Joa", zegt Harry Niehof.

Voorstellingen
De voorstelling Café op Driefklaai gaat zaterdag 5 maart in première in theater De Molenberg, Delfzijl.
Verder te zien in:
7 april Theater De Winsinghof, Roden,
23 april Cultureel Centrum Van Beresteyn, Veendam.
"Hij staat er nog!" Harry Niehof rekt zijn nek. Daar, achter het glas van de voormalige bakkerij van zijn vader aan de Heerestraat in Middelstum heeft hij zojuist met toegeknepen ogen een schim uit zijn verleden ontwaard: "De oude bakkersoven! Hij staat er nog!" Hij wil erin. In die bakkerij. Maar hoe doe je dat? Hij aarzelt. Hij is van Middelstum namelijk en dan doe je niets onbezonnens.
Hij woont al lang in Groningen, oogst succes met zijn songs over Groningen, je zou kunnen zeggen dat Groningen in zijn bloed zit en de bescheidenheid in zijn DNA. Hij wil het pad wel op, maar hij wil het ook niet.
Dit is Middelstum. Het dorp waar hij geboren is. Het dorp dat hij in zijn jeugd zo graag ontvluchten wilde, maar dat hem als volwassen man zoveel teruggaf; de taal van zijn jeugd, de muziek van zijn land, alles dat hij ooit ver van zich wilde houden, maar dat aan hem bleef trekken als een ouwe magneet.
Trots zijn op zijn afkomst, dat moest hij leren, zegt hij. "Groningers vinden het niet oké om trots te zijn. Als een Groninger iemand ziet die trots is op wat hij doet zegt hij: ‘Mos es kieken, hai glimt as ‘n keutel in de moaneschien."
Download dit artikel uit het Dagblad van het Noorden d.d. 2016-02-26 als PDF bestand