HOME


Café op driefklaai

 

1960, Cafe E.H. Niehof

 

‘Hé Derk, ga je morgen ook bij het voetbal kijken?’

‘Ach ja, waarom niet. Het is niet dat ik geen tijd heb.’

Gegniffel. Derk Beun heeft al lang niets meer te doen. Hij is net in de 70, heeft goed geboerd en zit overdag thuis maar wat te wachten tot het gezellig wordt in het café. Als het eenmaal zover is schuift hij aan bij de stamtafel en bestelt een jonge klare, met suiker en een lepeltje. Hij is met het meubilair meeverzekerd, zeg maar.

Dat meubilair stelt trouwens niet veel voor. Er staat een oude bank die ooit heel mooi was, daarom is hij dan ook antiek. De tapkast is gewoon een tapkast, zonder tap, want er is alleen maar flesjes bier. Mijn vader wipt de kroonkurk eraf en gooit hem in het doppengat, en klein rond gat in de vloer achter de tapkast, waar hij op het eind van de avond alle doppen die nog op de grond liggen in veegt. Voor de tapkast staat de stamtafel met acht stoelen, het hart van de gelagkamer, waar alle sterke verhalen worden verteld.

En reken maar dat er heel wat meer sterke verhalen over de stamtafel gaan dan flessen drank, want er is maar weinig geld en iedereen moet het zuinig aan doen. Bier, jonge en oude jenever en sinas, dat is het wel zo’n beetje. En wie helemaal niets heeft, kan een ‘aangekleed watertje’  krijgen: kraanwater met citroen en een ijsblokje, gratis.

De vertegenwoordiger voor die drank komt uit de Stad. Eens per maand komt hij met de bus van de Marnedienst naar Middelstum om de bestellingen op te nemen. Daarna leent hij een fiets van mijn vader om langs alle kroegen in de omgeving te gaan. Aan het eind van de dag komt hij weer aan slingeren, blij dat de fiets nog heel is, en stapt zo dronken als een konijn weer op de bus naar de Stad.

Delleweg 1 is ook een plek waar spookachtige dingen gebeuren, niet wereldschokkend, maar toch. Zo verdwijnen er vaak messen en vorken uit de bestekbak. Niemand die weet waar ze blijven. Het gekste is dat er nooit een lepel ontbreekt. Moeder telt ze af en toe, en ja hoor, weer twee messen en een vork weg. De lepels zijn altijd compleet. Heel vreemd. En wat ook wel vreemd is, er ligt een dode koe op de zolder.

Er staat ‘Café E.H. Niehof’ boven de doorrit, maar dat is maar een deel van het bedrijf. Het is ook een bakkerij, dat is de belangrijkste bron van inkomsten, er is een grote bovenzaal voor bruiloften en partijen en er is zelfs nog een stal bijna naast de bakkerij, waar mijn opa nog varkens heeft gehouden. Ik weet niet of de Keuringsdienst er wel eens komt. Kortom, het is zo’n ouderwets pand zo’n beetje aan de rand van het dorp, waar veel van het sociale gebeuren van de gereformeerde plaatsvindt.

Toch is Café Niehof ook modern voor die tijd. Er wordt ijs verkocht van ijsfabriek Vami, ‘de modernste van Europa’. En er is een automatiek vol met lekkers, dat is ook iets nieuws. Maar hoe moet dat op de zondag? Als goede christenen mogen mijn ouders dan uiteraard niet werken, en daar hebben ze het volgende op gevonden: op zaterdagavond om vijf voor twaalf vult pa de hele automatiek met van alles en nog wat, en als de mensen er dan na middernacht wat uithalen, tja, daar kan hij dan ook niets aan doen.

 

Armoede rond 1960

 

Zijn er nu twee broden minder of lijkt dat maar zo? Als het brood uit de oven komt, wordt het op lange planken in de schuur gezet om af te koelen. Nu is er opeens een leeg stukje plank op het eind. ‘Het lijkt wel of het heeft gestormd,’ zegt pa. Verder schenkt hij er geen aandacht aan. Maar een week later is het weer zover, twee broden weg op het einde van de plank. Als het daarna nog een keer gebeurt, verstopt opa zich achter de bakfiets om te zien wat er aan de hand is.

En ja hoor, de buurvrouw van een paar huizen verderop kom door de achterdeur de schuur binnen en loopt er door de grote deur weer uit, met twee broden onder de jas. Dat kan gemakkelijk, iedereen loopt bij elkaar in en uit. Hoe dan ook, vanaf dat moment heet deze buurvrouw Opoe Storm. Maar wat moet je met zoiets? Naar de politie gaan? Welnee, gewoon naar haar toe en zeggen: ‘Opoe Storm, niet meer doen’. Klaar.

Er is begin jaren zestig veel pure armoede in het dorp. En net zoals van een dier of een plant alle delen wel ergens voor worden gebruikt, zo wordt er ook van alle beschikbare energie optimaal geprofiteerd. Als vrouw Slagter poffert wil, dan maakt ze thuis het beslag, doet dat in een tulbandpan en brengt die naar de bakkerij, waar pa hem in de oven zet. ‘Die is toch al aan.’

Zo blijven er vaak kleine pootaardappeltjes over die alleen maar geschikt zijn als varkensvoer, maar dan moeten ze wel gaar zijn. Jan Aardbei heeft twee sterke zonen, die komen met een tobbe vol ondermaatse pootaardappeltjes naar de bakkerij om hem onder in de oven te zetten. ‘Die is toch al aan.’

’s Avonds komen ze de tobbe weer ophalen, en als ze goed en wel in hun loopritme zitten, komen er vanuit het niets opeens drie jongetjes van Knol tevoorschijn, die een greep in de tobbe doen, hun vingers branden en snel een paar aardappeltjes in de mond stoppen. Voordat de jongens van Aardbei er iets tegen kunnen doen, zijn de Knolletjes allang weer weg. Ze hebben altijd honger.

 

2016, Café Niehof jr.

 

Inspirerend, zo’n café. Een mooie plek voor gesprekken met de mensen uit het dorp en de omgeving. Ik dacht: stel nou dat ik het café van mijn vader kon overnemen, wie zouden er dan nu komen, in 2016? Dat kon natuurlijk niet, want het café is al lang geleden afgebroken, al in 1961, denk ik. Maar toch, dit leek me een gezellige plek om mensen te ontmoeten, en het is tegenwoordig geen doodzonde meer om in de kroeg te komen, zelfs niet op het christelijke Hogeland.

           Alle mensen met wie ik de afgelopen anderhalf jaar heb gepraat, kunnen hier een plekje krijgen. Zo ontstaat er als vanzelf een verhaal over het Hogeland van toen en van nu, met alle ellende en geluk die daarbij horen. Over de ontdekking van het gas en over de aardbevingen. Over liefde en haat, leven en dood.

           Dus doe ik net of ze allemaal bij mij aan de stamtafel komen zitten. Alles staat er nog net zo bij als vroeger, behalve de tapkast, daar staat nu uiteraard een biertap op, al is het doppengat erachter er nog altijd wel. En de antieke bank is weg, die was totaal versleten en is vervangen door een nieuwer exemplaar. Jammer, maar ja.

 

Kijk, daar komt Harm Jan. Een leuke man van een jaar of 45, maar wel een beetje eigenaardig. Hij klust wel eens bij de mensen thuis, badkamers en zo, en hij timmert wat, maar vaak is hij een tijdje uit beeld, dan zit hij thuis en is er niemand die weet wat hij doet. Vroeger schonk hij iedereen zijn lach, maar ooit is hij van zijn fiets gevallen omdat hij zich opeens niet goed voelde, en sinds die tijd zakt hij af en toe wat weg. Wel altijd heel vriendelijk tegen de mensen.

           Jop en Gré zijn vaste klanten. Niet zo jong meer en een beetje van slag, want ze hebben nu voor de tweede keer aardbevingsschade en ze weten niet goed wat ze daarmee aan moeten. Ze hebben al een paar keer gebeld met het Centrum Veilig Wonen, maar nog nooit iemand aan de lijn gehad. Ervaring met websites en email hebben ze niet, en dus hebben ze nu het idee dat ze uitgepraat zijn. Toch zijn ze ook nog wel strijdlustig. Gré: ‘Als we in Appingedam woonden, dan gingen we bij het CVW kijken hoeveel telefonistes er zaten, en hoe druk die het hadden.’ Tja, of dat nu veel zou helpen…

           Jop is een rustige kerel, hij zegt niet veel. Gré kan nogal stellig zijn in de dingen die ze beweert. Een tijdje geleden was ik ze op de boerderij, toen ze opeens zei: ‘Weet je wel waar de mensen kanker van krijgen? Van het water uit de kraan. Ga maar na, de mensen die kanker krijgen drinken allemaal uit de kraan. Mijn hond en mijn geit willen er niet aan, die drinken alleen maar water uit de sloot, en geen spoor van kanker. Ze moeten er eens mee ophouden om te zeggen dat de boeren alles kapotmaken met vergif, want de dieren op de boerderij zien er patent uit.’

           En daar komt Hendrik Beun, de kleinzoon van Derk, die altijd bij mijn vader in het café zat. Hendrik zet zijn dikke Mercedes pal voor de deur, zodat iedereen hem goed kan zien. Ja, het is nogal een opschepper, maar je kunt wel met hem lachen. De eerste keer dat ik van hem hoorde, was van een vriend van hem, die bij hem achter op de brommer zat toen ze werden aangehouden op de Bedumerweg in de Stad. Die vriend vertelde hoe dat ging.

Agent: ‘Naam?’

‘Beun.’

‘Voornaam?’

‘Hendrik.’

‘Geboren?’

‘Dat lijkt me wel, ja.’

‘Meneer Beun, waarom rijdt u met uw brommer 60 binnen de bebouwde kom?’

‘Hij kan niet sneller.’

           Hendrik is ook nog een tijdje buschauffeur geweest. In die tijd heeft hij meer voor de kerk betekend dan hij zelf in de gaten had, want bij de dominee in de kerk zat de gemeente de hele preek door te slapen, maar als ze bij hem in de bus stapten, begonnen ze allemaal te bidden.

           Zelfs mevrouw Smit komt nog wel eens bij me in het café. Niet om bij de stamtafel aan te schuiven, maar om een fles jenever te halen. Ze komt niet vaak, want ze doet wel twee, drie maand met een fles. Even een vingerhoed jenever in een koffiekopje voor het slapengaan, want daar slaapt ze zo lekker op.

           Nog een verschil met het café van mijn vader: er verdwijnt nooit meer een mes of een vork. En bij mij ligt er ook geen dooie koe op zolder.

 

Gas!

 

22 juli 1959, bam, aardgas gevonden bij boer Boon, Kolham. Zang en dans, slingers, groot feest? Niks ervan, want over een paar jaar zou heel Nederlang op kernenergie stoken, dus de NAM was al erg blij dat ze dat minderwaardige gas voor een prik aan Italië konden verpatsen. Later, toen bleek dat het gas toch wel degelijk veel geld opbracht, zaten ze daaraan vast en lachte Italië in zijn vuistje.

           En boer Boon, werd die er rijk van? Helemaal niet, want al in 1810 was er een mijnwet van kracht geworden, waarin stond dat elke bodemvondst eigendom van de staat werd. Boer Boon vond het eerst wel griezelig, zo’n gasboring vlak bij zijn schuur, met al die gevaren en zo, maar ‘al gauw was er een sfeer van vertrouwen’.  Vaak kwamen ze langs om water uit de put te halen of een laddertje te lenen. En eigenlijk had hij het prima voor elkaar, vond hij, want ze konden ’s nachts tot 1 uur doorwerken bij het licht van de gasvlam. ‘Je kon er wel een krant bij lezen.’

           Een paar jaar later, in ’63, ’64, kreeg iedereen dan toch aardgas. Het hele dorp lag overhoop, en op de hoek van de Delleweg en de Heerestraat, op de puinhopen van Café Niehof, had de Hanab alle buizen neergelegd die door het dorp zouden komen te liggen. Geen gedoe meer met kolenkitten, geen gesjouw meer met butagas. Vader was er in zijn nieuwe bakkerij blij mee, want de oven aanmaken met turf en stoken op briketten, dat was heel wat meer werk dan de gaskraan opendraaien.

           Maar in 1972 waren er nog steeds veel mensen buiten de dorpen die geen aardgas hadden. Ze zaten zo ongeveer pal boven op de gasbel, maar buizen werden er niet gelegd, want ze waren ‘onrendabel gebied’. Terwijl ze dat gas bijna onder hun aardappelen konden zien liggen. Vaak hadden ze trouwens ook geen waterleiding – het water kwam uit de put – en moesten ze licht maken met petroleumlampen, want elektriciteit was er ook niet.

           Een gezin had een boerderij bij Westerwijtwerd, ze moesten een sleuf van 80 meter zelf graven, dan wilde de NAM er wel een buis in leggen. Andere boeren lieten de sleuven door arbeiders graven. Die arbeiders hadden ervaring, want ze hadden vaak ook al drainagesystemen aangelegd en daar sleuven voor gegraven. Zwaar werk, ze verdienden ook meestal beter dan andere boerenarbeiders.        Er waren natuurlijk ook mensen die geen gas wilden. Veel te gevaarlijk, al die explosieve leidingen door het hele huis! In dat geval werd de gasleiding tot aan de buitenmuur van het huis gelegd. En sommige boeren werden boos als de gasleiding door hun land werd gelegd, vanwege de schade aan het gewas.

 

2015, het Hippolytushuis

 

Met Beno Hofman ga ik naar het Hippolytushuis, het bejaardentehuis van mijn geboortedorp Middelstum, ook al mag je blijkbaar het woord ‘bejaardentehuis’ niet meer gebruiken. In het dorp zelf zeggen ze trouwens ‘Hippiehoes’. Ik ben benieuwd of ik nog bekenden zal tegenkomen, ouders van vrienden of klasgenoten of zoiets. Nou, dat is dus zo.

           We zijn op zoek naar verhalen van mensen die in het café van mijn vader zijn geweest, en naar verhalen over de begintijd van het aardgas, allemaal in het kader van het theaterconcert Café op driefklaai. Er zijn aardig wat mensen op af gekomen, ook van buiten het Hippiehoes, en ze vertellen vol overgave over het verleden. Beno krijg meer geschiedenis te horen dan ik, want van mij willen ze allemaal weten hoe het nu eigenlijk zit met mijn familie, en of die of die nog leeft. Soms is een beetje afstand wel handig als je op zoek bent naar informatie.

           Verhalen over het café zijn er niet veel. Het wordt algauw duidelijk hoe dat komt: vrouwen worden ouder dan mannen, en dus zijn het bijna alleen maar vrouwen die er zitten. En iedereen weet dat vrouwen niet in het café komen. En als ze daar zo stil voor zich uitkijkend in het Hippiehoes achter hun kopje koffie zitten, dan zie je al wel dat het bepaald geen doorgewinterde cafégangers zijn.

            Ik kan het niet laten om één van de vrouwen een beetje te plagen. Ik zeg: ‘het café van mijn vader was nota bene gereformeerd, wat komt daar nu misgaan?’ Op dat moment loopt er net een vrouw achter me langs met een dienblad vol koffiekopjes en cake. Ze tikt me venijnig op de schouder en sist me toe: ‘Als wij vroeger in het café kwamen, hadden we direct twee etiketten op de rug: ‘hoer’ en ‘slet.’

 

1960 en 2016, mevrouw Smit

 

Er kwamen dus geen vrouwen in het café, ook niet in het gereformeerde Café Niehof. Zelfs mijn moeder kwam er niet als het open was, die kwam er alleen maar om de boel schoon te maken, en om Vami ijs te verkopen. De Vereniging van Plattelandsvrouwen was er natuurlijk wel, maar die kwamen alleen maar in de bovenzaal en nooit in de gelagkamer.

           Mevrouw Smit was een uitzondering, die kwam bijna wekelijks in de gelagkamer. Niet om bij de stamtafel aan te schuiven, maar om haar man op te halen. Ze waren net een jaar getrouwd, en als je getrouwd was, dan moest je er samen aan werken om het tot een succes te maken. Daar past er niet bij dat een van de twee het geld zat op te maken in het café.

           Jan Smit was een prima kerel, ook best wel een lieverd, maar als hij eenmaal op z’n praatstoel zat, dan kon het nog wel eens laat worden.’ Jan Smit, het is halftien,’ riep mevrouw Smit door de gelagkamer. ‘Ja, ik ben dronken, maar ik kan heus nog wel klokkijken,’ zei Jan. Hij zei dat om zijn gezicht te redden voor de andere klanten aan de stamtafel, maar die keken in een glaasje en zeiden niets. ‘Mee jij,’ zei mevrouw Smit, en daar gingen ze met z’n tweeën, zij rechtop, hij een beetje met een gebogen rug.

 

Jan is al jaren dood, hij is op het werk van een steiger gevallen en heeft zijn pensioen net niet gehaald. Mevrouw Smit leeft nog en woont nog steeds in het huisje vlak bij de kerk, dat ze met haar man heeft gekocht toen hij de drank had afgezworen. De kinderen zijn allang het huis uit, al woont er gelukkig nog wel een zoon van haar in het dorp, en die komt bijna elke dag wel even kijken.

           Daar is ze blij om, want ze maakt zich zorgen, en daar moet ze af en toe toch even over praten. Hoe zit dat nu met die aardbevingen? Schade heeft ze nog niet, maar ze hoort gekraak op zolder en dan bonkt het hart haar in de keel. Je weet niet hoe het verder zal gaan. Wat moet ze doen? Soms, heel even, voelt ze een lichte trilling, en die ziet ze dan ook in het laagje jenever in haar koffiekopje. De hele aardbevingsproblematiek wordt hier teruggebracht tot een rimpeling in het koffiekopje van mevrouw Smit.

 

2016, Onderhandelen

 

‘is er iets, Harm Jan?’

‘Wat zou er moeten zijn? Ik heb geen honger, ik heb geen dorst, en ik heb het niet koud.’

Als aan die drie voorwaarden wordt voldaan, dan heb je verder niets te klagen, daar komt het eigenlijk op neer. Zo’n instelling heeft wel iets, want er wordt uiteraard veel te veel geklaagd in deze wereld. Maar er is ook een keerzijde: dat je niet voor jezelf mag opkomen, want ‘zo slecht hebben we het toch niet’. Dat is niet handig in een tijd waarin mensen moeten onderhandelen over de waarde van hun huis, of over de afhandeling van de schade.

           Jop en Gré zijn daar voorbeelden van. Ze zijn niet opgegroeid met een grote bek, en als ze keer op keer tegen een muur oplopen, verliezen ze uiteindelijk de moed helemaal. Ze krijgen geen gehoor als ze bellen met het CVW, en als er dan uiteindelijk een man van de NAM komt die zegt dat hun schade niet door de gaswinning komt, maar dat het ‘zetting’ is, dan staan ze met de mond vol tanden. Jop: ‘Ooit zei er iemand tegen mij: “ik woon in Drenthe en ik heb ook scheuren in muur.” Tja, dan ben je snel uitgepraat. En dan kijken ze met z’n tweeën weer stilletjes voor zich uit.

           Er zijn ook wel andere types, hoor. Hendrik Beun pakt het heel anders aan. Hij heeft allerlei procedures lopen en zegt tegen zo’n man van de NAM: ‘Kijk nu toch eens, wat een kale plekken. De hele buitenboel is 30 jaar geleden nog geschilderd, en nu beeft de lak alweer van de dakgoot.’ En verder wijst hij op alle scheuren die in zijn boerderij zitten. Ze moeten snel over de brug komen, of hij weet ze wel te vinden.

 

2016, Café Niehof jr.

 

Hendrik Beun is vandaag op de fiets, hij heeft zijn Mercedes thuisgelaten. Met een grote grijns komt het café binnen en zegt: ‘Ik fietste net langs het Boterdiep, lag er een man in het water, die riep: “Help, ik kan niet zwemmen.” Dus riep ik hem toe: “Wat doe je dan ook in het Boterdiep, idioot?”’ Zoiets heeft hij nu altijd als hij binnenkomt, en daarom mag ik hem toch wel, ook al is het een opschepper. Als Hendrik in de buurt is, gebeurt er altijd wel wat.

           En als hij niets meer kan verzinnen, roept hij me altijd toe: ‘Hé Niehof, vertel nog eens op het zat met al die messen en vorken in het café van je vader die altijd verdwenen. Of waren het de juiste lepels? Nee hè, die verdwenen juist niet. Zo was het toch?’ Als Hendrik mij vraagt om een verhaal te vertellen, dan vertelt hij dat verhaal gewoon zelf en hoef ik nooit meer wat te zeggen. ‘En hoe zat het ook weer met die dooie koe op zolder?

           Het gebeurt een enkele keer dat hij in discussie gaat met een dorpsgenoot, die vindt dat hij misbruik maakt van de uitkeringsregeling van de NAM. ‘Rot toch op,’ roept hij dan, ‘mijn Mercedes is meer waard dan het hele huis van jou. Je moet je er niet zo gemakkelijk van afmaken. Doe mij er nog even eentje in, Niehof. En geef die slapjanus er ook maar een.’

           Slapjanus weet geen woord meer uit te brengen en voelt zich zowaar een beetje schuldig dat hij niet meer geld heeft gevraagd voor alle schade zijn huis. Als hij nu maar wat wat beter kon praten. Maar ja, dat is niet zo.

 

Praten

 

Groningers zijn nu eenmaal geen grote praters. Het is niet voor niks dat amandelen knippen in Groningen wel driemaal zo duur is als op andere plekken, want omdat de mensen hier hun mond niet opendoen, moet de dokter altijd achterlangs. En als er al eens iemand is die wel goed kan praten, dan wordt er al gauw chagrijnig opgemerkt: ‘je moet je horen naar achteren laten zetten, dan kun je je bek nog verder opentrekken!’

           Op zondagmiddag zie je op het platteland vaak wat oudere echtparen die lekker samen uit eten gaan, bij Landman of zoiets. Ze gaan dan schuin tegenover elkaar aan vierpersoons tafeltje zitten, want dan hebben ze tenminste een beetje uitzicht. En bovendien, wat heb je nu met z’n tweeën nog te bespreken, na al die jaren?

           In juni 2015 heb ik een paar liedjes gespeeld op een vergadering van de Groninger Bodem Beweging. Er zaten zo’n 200 mensen in de zaal, die na de nodige andere praatjes een zegje mochten doen. Ik denk dat er zo’n twintig aan het woord zijn geweest, en veel minder dan de helft daarvan was Groninger. Geen kwaad woord over mensen die niet in Groningen geboren zijn en hun mond opendoen omdat ze aardbevingsschade hebben, het zegt eerder iets over de Groningers. Daar is ook altijd iets bij van ‘ze moeten zich niet met ons bemoeien, laat ons toch met rust’.

           Toch is het niet zo dat de Groningers niet kunnen praten, dat kunnen ze best wel, als ze maar willen. En dat is dan vooral als het ergens over gaat wat een beetje anders is dan anders. Wil je een Groninger aan de praat krijgen? Zet dan maar eens een hoed op, dan is het direct: ‘Koude voeten, Niehof?’ Of ook een goeie, laat eens een snor staan. Dan is het: ‘Bij de duiven in het hok geweest, Niehof?’

 

2016, Fracken

 

Er wordt veel geklaagd dat de NAM niet echt luistert en dat ze proberen zo weinig mogelijk geld uit te keren aan schade en ondanks alles zoveel mogelijk aan het gasten verdienen. Het is zo klaar als een klontje dat dat ook echt zo is. De NAM kijkt altijd erg serieus, ze maken zich zogenaamd zorgen over de inwoners van de provincie Groningen en ze zuchten er nog eens bij. En dan zeggen ze opeens: ‘O ja, trouwens, we gaan ook fracken bij Saaksum.’ Wat!? Hoe bot kun je zijn? Ook al kan het geen kwaad, wat niemand precies weet, dan doe je zoiets nog niet in een provincie waar zoveel aan de hand is. Het hele Hogeland staat op zijn kop, de mensen zijn ten einde raad doordat gewroet in de Groninger bodem en de NAM zegt doodleuk dat ze gaan fracken bij Saaksum.

           Maar ja, aan de andere kant, het is ook wel een beetje onze eigen schuld. Want bijna elke Groninger die ik ken heeft wel eens gezegd: ‘Die lui van de NAM, wat mij betreft kunnen ze allemaal vrekken…’

 

2016, Café Niehof jr.

 

Hendrik Beun komt het café binnen met een kop als een donderwolk. Pas als hij een glas bier voor zich heeft, blijkt waarom. Hij moet zijn Mercedes verkopen. Hij had schade aan zijn boerderij opgegeven, alle scheuren aangewezen en op de foto gezet, maar nu hebben ze ontdekt dat die scheuren allemaal groen zijn vanbinnen, en dat ze dus al behoorlijk oud zijn. Dat van die verf die van de dakgoot was afgebeefd, dat was nog wel een beetje een grap, maar hij had toch echt wel verwacht dat ze voor die scheuren over de brug zouden komen. Nu krijgt hij niets.

           Harm Jan zegt van achter zijn borreltje: ‘ik wil je wel helpen om de boel weer netjes te krijgen, ook al heb je er al jaren zelf niks meer aan gedaan.’ Hé is in een royale bui, want met wat hulp uit het dorp heeft er net een paar weken geleden Zijn schamele bezittingen verhuisd. Zijn oude huisje was er zo slecht aan toe door een combinatie van achterstallig onderhoud en een paar aardschokken, dat het niet meer te redden viel. Volgende week wordt het afgebroken.

           Nu woont hij in een tamelijk nieuw huisje midden in het dorp, schuin tegenover mevrouw Smit. Wel klein, maar hij heeft dan ook bijna niets nodig. Hij woont er met veel plezier en doet er voorlopig alles aan om het een beetje netjes te houden. En als we boodschappen gaat doen, dan loopt hij even binnen bij mevrouw Smit om te vragen of zij nog iets nodig heeft van Tuitman.

 

Burenhulp

 

Mooi is dat, zo als een man als Harm Jan met een beetje hulp van het dorp Zijn hoofd boven water kan houden. Mijn vader en moeder hebben op die manier ook veel aan het dorp gehad. Tante Finie, een zuster van mijn vader, vertelt me erover. Begin jaren vijftig wordt moeder ziek, tbc. Daar bovenop krijgt ze een met tbc verwante meningitis. Daardoor ligt ze anderhalf jaar in het Academisch Ziekenhuis in de Stad. Naast al het werk dat hij al heeft, gaat pa er elke dag naartoe en mijn oudere broer en zus gaan ’s zondags mee om van achter een raam naar moeder te zwaaien. Pa is verzekerd voor zes maanden ziekenhuis, want ja, wie ligt er nu langer dan een half jaar in het ziekenhuis. Die twaalf maanden extra kan vader van zijn leven niet betalen. Hoe moet dat dan, vraag ik aan Finie. Ze kijkt me wat verbaasd aan, want dat is toch duidelijk: Dat heeft het dorp betaald, zegt ze. En dat vond iedereen volkomen normaal. En het dorp, of dat nu de gemeente is geweest, of de kerk, of de buurt, dat weet ik niet, en het maakt eigenlijk ook niet uit. Zo deden ze dat gewoon. Klaar.

 

De verhalen

 

Harm Jan, Jop en Gré, mevrouw Smit, Hendrik Beun, waar wonen die nu eigenlijk? Dat is niet precies bekend. De verhalen die ik heb gehoord krijg een plek bij een van deze personages. Ik ben op allerlei verschillende plekken op het Hogeland geweest om met de mensen te praten. Om wat eenheid in het verhaal te krijgen, heb ik al die dorpen bij elkaar opgeteld en van die som het gemiddelde genomen. Toen kreeg ik dus een soort middelsom, zeg maar. En ik dacht: dan noem ik mijn dorp ook maar zo. Middelsom (Gronings voor Middelstum) dus.

           Heb ik alles bij elkaar gelogen? Een van de mensen die ik sprak, vroeg wat ik met al die verhalen ging doen. Ik legde het hem uit, en toen zei hij: ‘Maar komt de waarheid er dan wel bij kijken? Want anders zitten we hier een beetje voor de kat zijn viool te ouwehoeren.’

           Als er al mensen zijn die hebben gelogen, dan zijn dat waarschijnlijk alle mensen die mij hun verhaal hebben verteld, want het geheugen is buitengewoon onbetrouwbaar. Weet je nog, die automatiek waar ik het over had, die mijn vader altijd op zaterdagavond om vijf voor twaalf vol stopte met lekkers? Iedereen in het dorp kende die automatiek, iedereen kwam er wel eens. Maar wat zat er eigenlijk in? Dat heb ik ze allemaal gevraagd, en allemaal zeiden ze iets anders.

‘Kroketten,’ zei de een.

‘Nee, die waren er toen nog niet,’ zei een ander, ‘er zaten eierballen in.’

‘Welnee, er zat niks warms in,’ zij nummer drie. ‘Mars, Treets, dat soort spul.’

‘Ik haalde er altijd pinda’s uit,’ zei nummer vier.

‘Je vader was toch bakker?’ zei nummer vijf. ‘Nou dan. Gebakjes zaten erin.’

Nummer zes is het heel zeker. ‘Allemaal lulkoek,’  zei hij. ‘Weet je wel wat er echt in die automatiek zat? Koetjesrepen.’

Enzovoort.

 

1960, Het doppengat

 

Toen ik een jaar of anderhalf, twee was, drentelde ik vaak wat in de gelagkamer rond. Pa was in de bakkerij, moeder in de winkel, en ik vermaakte me wel. Achter de tapkast vond ik de kroonkurk van een fles bier. Ik liet hem in het doppengat in de vloer vallen en hoorde hem metalig boven op de andere doppen vallen, rechtstreeks richting aardgasbel. Ting. Dat was mooi. Ik vond nog een dop en liep die ook in het doppengat vallen. Ting. En nog een. Ting. Mooi. Toen waren de doppen op en ging ik op zoek naar iets anders.

           In de bestekbak lag van alles van metaal, dat zou vast ook wel mooi klinken. Ik duwde een vork door het doppengat. Tiiing. Toen een mes. Tiiing. Toen wilde ik er een lepel in duwen, maar dat ging niet, die paste er niet doorheen. Dan nog maar een vork en mes. Tiiing.

           Maar waar die dooie koe gebleven is toen het pand werd afgebroken, ik zou het niet weten.

 

Epiloog

 

De brug over het Boterdiep staat open. Hendrik Beun en Harm Jan staan erbij te kijken. Er komt een vrachtschip aan, hij past er net doorheen, aan beide kanten is er geen centimeter meer over.

Hendrik: ‘Daar kan geen muis meer bij.’

Harm Jan: ‘Dat hoeft ook niet ja.’ (andere vertaling niet mogelijk)